De eenzijdige blik op meetbaarheid is in het onderwijs onverminderd sterk

16 oktober 2019 | Zeven jaar na het uitkomen van zijn boek, ziet Gert Biesta hoe de nadruk op rendement en kwaliteitsindicatoren in het onderwijs nog onverminderd sterk is.

Gert Biesta
In 2012 kwam Goed onderwijs en de cultuur van het meten van pedagoog Gert Biesta uit. Het boek vond veel weerklank bij docenten die genoeg hadden van de meetcultuur in het onderwijs. Toch is de nadruk op rendement en het meten van kwaliteitsindicatoren nog onverminderd sterk. Tijd voor een hernieuwde druk, met een nieuw nawoord van Biesta.

Nadruk op rendement in het onderwijs blijft

Op Schiphol – Biesta woont en werkt in Edinburgh – spreken we de onderwijswetenschapper over dat nieuwe nawoord en de staat van het Nederlandse onderwijs. “Er is nog altijd een sterke druk op het onderwijs om te renderen,” zegt Biesta die zegt prettig verbaasd te zijn over het feit dat zijn boek nog altijd goed lijkt te verkopen. “Ik kom veel op scholen. Zij constateren wel dat ze de ruimte krijgen van de Inspectie, maar tegelijkertijd worden ze wel scherp in de gaten gehouden.”

Biesta was in Nederland op bezoek bij een scholengemeenschap in Rotterdam-Zuid. “Ze zijn hun middelbaar onderwijs aan het herschikken, wat ook betekent dat er scholen moeten verhuizen. Ze hebben mij gevraagd mee te denken over de toekomst van het onderwijs.”

Een testbatterij

Een belangrijk onderdeel van het denken van Biesta draait om wat ‘de drieslag’ is gaan heten. Dat houdt in dat het onderwijs in de kern drie taken kent: kwalificatie, socialisatie en subjectificatie. Met name die laatste opdracht is waar het onderwijs op alle lagen mee worstelt, ziet Biesta.

“Je ziet het ook nu bij de discussie rond Curriculum.nu,” stelt hij. “Ik zou zeggen dat er hier en daar een bijzondere interpretatie gegeven wordt aan mijn werk. Je ziet bijvoorbeeld dat al heel snel zaken als persoonsvorming, persoonlijke ontwikkeling en persoonlijkheidsontwikkeling op een hoop worden gegooid. Terwijl dat toch wezenlijk andere zaken zijn.”

Het gevolg is dat de nadruk sterk komt te liggen op de persoonlijkheid vanuit een psychologische blik. “Dat leidt dan snel weer tot een testbatterij waarin ook de ontwikkeling van de persoon weer een kwestie van meten wordt,” zegt Biesta die daarbij ook wijst op de rol van de OECD. “Zij zijn al bezig om allerlei persoonlijkheidskenmerken vast te stellen. Alles wordt dus weer gekwantificeerd. Terwijl het zou moeten gaan om de vraag: hoe proberen we als mens in de samenleving te staan?”

In Nederland is die vraag vooral van burgerschapsperspectief bekeken, waarbij de term Bildung al snel om de hoek kwam kijken. Dat heeft Biesta nogal eens geamuseerd. “Er was in Nederland heel veel enthousiasme voor Bildung, het frappante was dat veel collega’s in Duitsland juist heel negatief zijn over Bildung. Niet alleen omdat Bildung te normatief is – onderwijs gericht op het realiseren van een bepaald mensbeeld – maar ook omdat al die prachtige Bildung de opkomst van het Nazisme niet heeft weten tegen te houden, en wellicht zelfs heeft ondersteund.”

Nationalistische reflex

Als Biesta het over persoonsvorming heeft, wil hij juist wegblijven van dat normatieve. Discussies over het wel of niet verplichten van het leren van het Wilhelmus vindt hij dan ook heilloos. “Ik vind de politieke reflex te nationalistisch. Je moet zo’n norm niet willen opleggen.”

Maar hoe doe je dat? In een klaslokaal waar een veelheid aan meningen en visies over hoe de samenleving in elkaar zou moeten zitten elkaar tegenkomen. “Het onderwijs kan het niet negeren,” stelt Biesta allereerst. “Het is heel mooi dat we in een land leven waar iedereen z’n mening mag hebben, ook als die mening direct indruist tegen bepaalde waarden. De vraag is hoe we met elkaar verzorgen dat iedereen die vrijheid en gelijkheid ook in gelijke mate heeft. Het gaat erom dat leerlingen daar gevoelig voor worden en zorg willen dragen voor de condities waaronder vrijheid en gelijkheid kunnen gedijen.”

Biesta zegt dat je burgerschapsvorming juist op die manier in je curriculum moet zien op te nemen en wijst er op dat zelfs een vak als handvaardigheid daar een belangrijke rol in kan spelen. “Denk aan houtbewerking. Je kunt van alles in je hoofd hebben over wat je met dat stuk hout zou willen, maar je hebt wel te maken met een concreet stuk hout dat niet alles toelaat. Je moet als het ware in een verhouding komen daarmee. Dat is een les.”

Dat is iets anders dan een leraar die een norm oplegt. “Als een leraar in gesprek met een leerling zegt: ‘zo doen we dat’, dan ben je eigenlijk het conflict aan het herhalen. Een slimme leerling zegt dan: ‘als we die vrijheid willen, dan zult u mij die ook moeten gunnen’. Daar komt het gesprek dus niet mee verder.”

Britse waarden

Overigens is de nadruk op de eigen cultuur als het gaat om burgerschapsvorming in het onderwijs niet voorbehouden aan Nederland, ziet Biesta. “In Engeland is het onderwijs sinds 2014 verplicht om ‘Fundamental British Values’ te onderwijzen. Dat is overigens niet vastgelegd in een onderwijswet maar komt uit anti-terrorisme wetgeving. Opvallend is dat de nadruk ligt op waarden als respect en verdraagzaamheid, waar je je van kunt afvragen hoe fundamenteel Brits dat is. Maar het is de zelfde reflex op de plurale samenleving die je in Nederland ziet.”

“Je kan het onderwijs niet zomaar uit de ene situatie tillen en ergens anders invoeren.”

Als Biesta het Nederlandse onderwijs met andere onderwijssystemen – hij is onder meer werkzaam in Schotland en Ierland en werkte eerder in Engeland – moet vergelijken, dan valt hem ook in die landen de nadruk op meetbare indicatoren op. “De Schotse onderwijscultuur is overigens wel anders. Daar speelt PISA een veel minder grote rol. Er is een mooie uitspraak van een politicus dat Schotland met iets beters bezig was dan PISA. Maar de grote sociale ongelijkheid in Schotland is ook een zorg voor het onderwijs.”

PISA als thermometer

In andere Europese landen is er vaak minder zelfbewustzijn. Biesta wijst op Duitsland dat in 2001 voor het eerst mee deed aan het grote onderwijsonderzoek van de OECD. Het land besloot na de teleurstellende PISA-scores het onderwijsbeleid fors te hervormen. “Daar is na de ‘PISA-shock’ echt een heel stuk onderwijsgeschiedenis verloren gegaan,” zegt Biesta die waarschuwt voor het te grote belang dat aan de PISA-cijfers wordt gehecht.

“Natuurlijk brengt PISA wel iets in beeld. Het is een interessante thermometer, maar je moet de resultaten wel met een korrel zout nemen. Het verbaast me hoeveel belang er vaak aan wordt gehecht. Het lijkt soms wel of men denkt: als we het kunnen meten, dan kunnen we het oplossen. Terwijl de werkelijkheid een stuk complexer is.”

Biesta wijst bijvoorbeeld op hoe Finland enkele jaren geleden overal werd gezien als de heilige graal in het onderwijs. “Terwijl je de situatie in Finland nooit helemaal één op één kunt kopiëren naar andere landen, al is het maar omdat de sociale mix er in Finland heel anders uitziet – meer monocultureel – dan in veel andere landen. Je kan het onderwijs niet zomaar uit de ene situatie tillen en ergens anders invoeren.”

Idealiter zou er dus vanuit beleid en politiek niet zo’n eenzijdige blik op meetbare indicatoren zijn, maar Biesta snapt waar het vandaan komt en relativeert daarin zijn eigen rol. “De politieke dynamiek is weerbarstig. Er is logischerwijs altijd een blik op de kiezer. Als academicus kun je je alleen je best doen om de kwaliteit van de discussie naar een hoger plan te tillen.”